Het graf van Ramses XI als atelier

Ramses XI regeerde als laatste koning van de 20ste dynastie. Na zijn koningschap kwam de roemruchte periode van het Nieuwe Rijk ten einde. Het graf dat voor Ramses XI in het Dal der Koningen werd aangelegd is nooit als zodanig in gebruik genomen. Het vermoeden bestaat dat deze farao, nadat hij in de Deltastad Tanis politiek asiel had gekregen, hij daar ook is begraven.

Na het overlijden van Ramses XI had de hogepriester van Amon, Pinodjem I, in feite de macht in handen in het zuiden van Egypte. Hij liet de mummies van de farao's die in het Dal der Koningen lagen begraven uit hun graven halen. De koningsmummies werden in het graf dat eigenlijk was bedoeld voor Ramses XI uit de doeken gedaan. Al het goud en zilver dat daarbij tevoorschijn kwam werd door hogepriester Pinodjem apart gehouden. De mummies van de farao's werden in nieuw linnen gewikkeld en in verscholen bergplaatsen opnieuw bijgezet.

Bergplaatsen voor koningsmummies

Het lijkt erg oneerbiedig wat hogepriester Pinodjem met de mummies van de grote koningen van het Nieuwe Rijk deed. Toch had hij het beste met de 'Goede Goden' voor. Het begin van de 21ste dynastie kende namelijk grote politieke en sociale onrust. Grafrovers sloegen overal hun slag en bewaking van de graven in het Dal der Koningen was nauwelijks meer mogelijk. Om plunderingen te voorkomen liet Pinodjem massagraven aanleggen. Bekende voorbeelden van zulke bergplaatsen, of 'cachettes', zijn de in 1891 teruggevonden priestercachette Bab el-Gasoes met de mummies van maar liefst 153 Amonpriesters. Zeven jaar later ontdekte de Franse archeoloog Victor Loret het vrijwel geheel leeggeroofde graf van Amenhotep II. Tot zijn grote verbazing trof Loret verspreid over twee nissen dertien mummies aan. In de achterste nis lagen tien mummies die toebehoorden aan belangrijke koningen van het Nieuwe Rijk. Uit de opschriften die zijn aangebracht op het mummielinnen en op de eenvoudige houten mummiekisten blijkt dat al deze koningsmummies tijdens het hogepriesterschap van Pinodjem zijn herbegraven.

De cachette van Deir el-Bahri

In 1881 werd vlakbij de dodentempel van koningin Hatsjepsoet te Deir el-Bahri een cachette ontdekt met daarin talloze koningsmummies. Dit rotsgraf draagt de code DB 320 en stond in de oudheid bekend als kAy 'hooggelegen'. Het was oorspronkelijk het graf voor koningin Inhapi uit de 17de dynastie. Masaharta was de oudste zoon van Pinodjem I. Hij nam het hogepriesterschap van Amon van zijn vader over. Masaharta liet de mummies van Amenhotep I en Thoetmoses II in DB 320 herbegraven. Na de dood van Masaharta werd zijn broer Mencheperra de nieuwe hogepriester van Amon. Hij zette de mummie van Masaharta bij in het rotsgraf DB 320. Later stierf ook zijn vader Pinodjem I, die al die tijd als koning over het zuiden had geregeerd.  Vanaf dat moment nam Mencheperra de koninklijke macht over het zuiden van Egypte over. Mencheperra liet ook zijn vader in DB 320 begraven. Zo werd langzaam maar zeker de koningscachette ook een familiegraf voor de hogepriesters van Amon.

Goudschatten in de Delta

Pasebachanioet I was de iets jongere broer van Mencheperra. Hij regeerde op dat moment al acht jaar over het noorden van Egypte vanuit Tanis. In de jaren die volgden regeerde Mencheperra met straffe hand over het zuiden. Hij liet uit tichelsteen veel controleposten bouwen aan de oevers van de Nijl. Mencheperra voorzag zijn halfbroer Pasebachanioet van vele goudschatten afkomstig uit de graven van het Dal der Koningen. Het ongeschonden graf van Pasebachanioet is namelijk in 1939 door de Fransman Pierre Montet ontdekt. Het opmerkelijke is dat van het graf van de als koning van het zuiden regerende hogepriester van Amon Mencheperra ieder spoor ontbreekt.